Inspectierapport De Bosbes (BSO) Brigadelaan 13

9471MP Zuidlaren

Registratienummer 197107461

 

Toezichthouder:                                 GGD Drenthe In opdracht van gemeente:                 Tynaarlo Datum inspectie:                                31-10-2019

Type onderzoek:                                Jaarlijks onderzoek

Status:                                              Definitief

Datum vaststelling inspectierapport:    27-11-2019

 

 

INHOUDSOPGAVE………………………………………………………………………………………………. 2

 

HET ONDERZOEK ……………………………………………………………………………………………….. 3

 

ONDERZOEKSOPZET ……………………………………………………………………………………………….. 3

 

BESCHOUWING ……………………………………………………………………………………………………. 3

 

ADVIES AAN COLLEGE VAN B&W ………………………………………………………………………………….. 3

 

 

OBSERVATIES EN BEVINDINGEN………………………………………………………………………….. 4

 

PEDAGOGISCH KLIMAAT ……………………………………………………………………………………………. 4

 

PERSONEEL EN GROEPEN…………………………………………………………………………………………… 5

 

VEILIGHEID EN GEZONDHEID ………………………………………………………………………………………. 7

 

OUDERRECHT ……………………………………………………………………………………………………… 8

 

 

OVERZICHT GETOETSTE INSPECTIE-ITEMS ……………………………………………………………. 9

 

PEDAGOGISCH KLIMAAT ……………………………………………………………………………………………. 9

 

PERSONEEL EN GROEPEN…………………………………………………………………………………………..10

 

VEILIGHEID EN GEZONDHEID ………………………………………………………………………………………12

 

OUDERRECHT ……………………………………………………………………………………………………..13

 

 

GEGEVENS VOORZIENING …………………………………………………………………………………. 14

 

OPVANGGEGEVENS ………………………………………………………………………………………………..14

 

GEGEVENS HOUDER ……………………………………………………………………………………………….14

 

 

GEGEVENS TOEZICHT ……………………………………………………………………………………….. 14

 

GEGEVENS TOEZICHTHOUDER (GGD) …………………………………………………………………………….14

 

GEGEVENS OPDRACHTGEVER (GEMEENTE) …………………………………………………………………………14

 

PLANNING …………………………………………………………………………………………………………14

 

 

BIJLAGE: ZIENSWIJZE HOUDER KINDERCENTRUM ………………………………………………… 15

 

Het onderzoek

 

Onderzoeksopzet

Dit onderzoek is uitgevoerd op grond van artikel 1.62 lid 2 van de Wet kinderopvang. Het betreft een onaangekondigd jaarlijks onderzoek.

 

Op basis van het risicogestuurd toezicht (RGT) zijn de inspectieactiviteiten in dit onderzoek bepaald. Dit leidt tot een inspectie op maat. Deze inspectieactiviteiten richten zich primair op de kwaliteit van de dagelijkse praktijk aangevuld met toetsing aan nieuwe wetgeving en onderdelen waaraan in de voorgaande jaren niet werd voldaan.

 

 

Beschouwing

Algemeen

BSO de Bosbes is een kleinschalige BSO welke is gevestigd in een woonhuis.

BSO de Bosbes biedt opvang aan ten hoogste zes kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar.

 

Inspectiegeschiedenis

In 2015, 2016 werd er voldaan aan de geïnspecteerde voorwaarden.

In 2017 werd er voldaan aan de geïnspecteerde voorwaarden na overleg en overreding op de onderwerpen pedagogisch beleid, veiligheid en ouderrecht.

In 2018 werd er voldaan aan de geïnspecteerde voorwaarden. Er heeft overleg en overreding plaatsgevonden op de domeinen Pedagogisch beleid en Veiligheid en gezondheid.

 

Bevindingen

Op 31 oktober 2018 heeft een jaarlijks onderzoek plaatsgevonden. Op de locatie zijn diverse documenten aanwezig en beoordeeld. De houder heeft de opgevraagde documenten binnen de

afgesproken termijn naar de toezichthouder gestuurd.

 

Conclusie:

De locatie voldoet ten tijde van het onderzoek aan de geïnspecteerde eisen uit de Wet

Kinderopvang (Wko) en aanverwante regelgeving.

 

 

Advies aan College van B&W

Geen handhaving.

 

Observaties en bevindingen

 

 

 

 

Pedagogisch klimaat

 

Inleiding

Onder de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving gelden onder meer eisen voor de inhoud van een pedagogisch beleidsplan en de relatie van het beleidsplan met de praktijk. In het pedagogisch beleidsplan dient o.a. de kenmerkende visie op de omgang met kinderen beschreven te staan.

 

Tijdens dit onderzoek is het pedagogisch beleidsplan beoordeeld op inhoud en volledigheid. Onderzocht is of het pedagogisch beleid ten minste een concrete beschrijving bevat van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan aspecten van verantwoorde kinderopvang.

 

Het Nederlands Jeugdinstituut heeft het veldinstrument observatie pedagogische praktijk in 2011 ontwikkeld in opdracht van GGD GHOR Nederland. Het handelen van de beroepskrachten met betrekking tot de aspecten van verantwoorde kinderopvang is beoordeeld aan de hand van de observatie items uit dit veldinstrument.

 

 

 

Pedagogisch beleid

De houder heeft een pedagogisch beleidsplan opgesteld voor BSO De Bosbes. In het beleidsplan staat de locatie-specifieke werkwijze van deze buitenschoolse opvang beschreven.

 

De houder draag er zorg voor dat er in de buitenschoolse opvang volgens het pedagogisch beleid wordt gehandeld. Dit blijkt uit de observatie op locatie en uit het gesprek met de beroepskracht tevens houder. Ze vertelt dat het beleidsplan haar extra aandacht heeft nu ze de opleiding tot pedagogisch coach volgt.

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden.

 

 

 

Pedagogische praktijk

Tijdens het inspectiebezoek is er geobserveerd in de groep. De houder van een kindercentrum moet verantwoorde kinderopvang bieden.

 

Hieronder wordt verstaan:

             Het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen

             Het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen

             De socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen.

 

Het oordeel van de toezichthouder is tot stand gekomen door waarnemingen tijdens de observatie. Uit deze pedagogische observatie is gebleken dat de beroepskracht en tevens houder ten tijde van het onderzoek handelen volgens het pedagogisch beleid en aansluiten bij het ontwikkelingsniveau van de kinderen. Hierna zijn enkele voorbeelden beschreven waarop dit oordeel is gebaseerd.

 

De houder is met de 5 aanwezige kinderen aan het fietsen, ze heeft een elektrische bakfiets. Het duurt even voordat ze op de BSO aan komt. Ze vertelt aan de kinderen dat de laarzen uit mogen en vraagt aan de kinderen of ze pantoffels willen. Een meisje, met pantoffels aan gaat op het zitkussen zitten om een Donald Duck te lezen. Ze vertelt aan de toezichthouder dat ze daar erg van houdt. Dan vraagt het ene kind aan het andere: “Waarom heb jij geen pantoffels aan?”. De jongste kinderen vertellen dat ze beiden blauwe aan hebben. Dan wordt er gekeken naar andere sloffen omdat ze te groot zijn.

 

Als de beroepskracht binnen komt zegt ze tegen de kinderen: “Eerst maar eens handen wassen”. Ze zijn naar de zandverstuiving geweest. Ze noemt drie namen van kinderen vraagt wat ze willen gaan doen zodat zij ondertussen even fruit kan schoonmaken. “Zal ik een bak met speelgoed voor jullie pakken? Er is een grote kast met speelgoed, de Playmobil wordt gepakt, een kasteel en een poppenhuis. Een meisje vraagt naar het kleed zodat ze de bak daarop leeg kunnen storten. De beroepskracht zegt: “Super, goed samengewerkt jongens”.

 

De kinderen gaan samenspelen op de grond, dan zien ze een spin. De beroepskracht vangt hem en brengt hem maar buiten. Dan zegt ze dat het handiger is om op een andere plek te spelen. De kinderen maken wat ruimte. Als ze allemaal een Playmobil boot willen wordt het probleem in goed overleg opgelost. “Opgelost, dank je wel!”, zegt de beroepskracht. Even later zijn de kinderen allemaal in hun spel gekomen en kan de beroepskracht met de toezichthouder praten.

 

Als het tijd is voor drinken en fruit vertelt het oudste kind aan de toezichthouder dat ze een affiche aan het maken is want ze gaan op de BSO een tentoonstelling maken over de herfst. Op het affiche kunnen de ouders lezen wanneer de opening is. De kinderen vertellen dat het eerst een tentoonstelling over paddenstoelen zou worden maar het onderwerp is herfst geworden. Ouders kunnen straks tijdelijk niet in de groepsruimte komen.

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de getoetste wettelijke voorwaarden.

 

 

Gebruikte bronnen

            Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (op 31-10-2019)

            Observatie(s) (op locatie)

            Website

            Nieuwsbrieven (ontvangen op 5-11-2019)

            Pedagogisch beleidsplan (opgevraagd en ontvangen op 05-11-2019)

 

 

Personeel en groepen

 

Inleiding

Onder de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving gelden onder meer eisen voor verklaringen omtrent het gedrag (VOG) voor personen werkzaam bij de kinderopvangorganisatie. Daarnaast gelden eisen voor de opvang in groepen en het aantal beroepskrachten dat ingezet moet worden op een groep kinderen.

 

Binnen dit domein zijn de beroepskrachten steekproefsgewijs gecontroleerd op een passende beroepskwalificatie. Daarnaast is er (steekproefsgewijs) beoordeeld of de houder, de medewerkers die in dienst zijn van de houder, of structureel aanwezigen, gekoppeld zijn aan de houder in het Personen Register Kinderopvang (PRK). Een koppeling kan alleen plaats vinden wanneer de persoon een geldig verklaring omtrent het gedrag (VOG) heeft.

 

Verder is gecontroleerd hoe de houder de groepen indeelt en of er aan de beroepskracht-kind ratio (BKR) wordt voldaan. De BKR en de basisgroepen zijn gecontroleerd door middel van roosters, plaatsingslijsten en presentielijsten.

 

Eveneens is binnen dit domein gekeken of de voorgeschreven voertaal wordt gebruikt.

 

 

 

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

De houder en één huisgenoot staan geregistreerd in het Personenregister Kinderopvang (PRK) en zijn gekoppeld aan deze houder. Registratie in het PRK betekent dat de geregistreerde persoon beschikt over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden.

 

Opleidingseisen

De houder beschikt over een diploma welke voldoet aan de regels in de meest recente CAO Kinderopvang.

 

De houder, tevens pedagogisch beleidsmedewerkers en de coach beschikken beiden over een voor de werkzaamheden passende opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk.

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden.

 

 

 

Aantal beroepskrachten en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires

De houder is tevens de enige beroepskracht van deze BSO.

 

Op een BSO mogen maximaal tien kinderen per beroepskracht worden opgevangen. Op basis van de beschikbare ruimte worden op deze BSO niet meer dan zes kinderen tegelijkertijd opgevangen.

 

Er wordt hiermee altijd voldaan aan het beroepskracht-kindratio.

 

Uit de observatie tijdens het inspectiebezoek en uit de door de houder overlegde de gegevens blijkt dat er niet meer dan zes kinderen tegelijkertijd worden opgevangen.

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden omtrent de beroepskracht-kindratio.

 

 

 

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

De houder heeft het minimaal aantal uren waarvoor de pedagogisch beleidsmedewerker jaarlijks ingezet moet worden bepaald op grond van de rekenregels in het besluit.

 

De houder is zelf de pedagogisch beleidsmedewerker van haar locatie.

 

Voor het onderdeel coaching is ze aangesloten bij een intervisie groep. Een van de leden is haar coach.

 

Of de houder de coaching ook daadwerkelijk ontvangt kan pas worden beoordeeld bij de inspectie in 2020. De houder heeft hiervoor heel 2019 nog de tijd.

 

 

 

 

 

 

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

De opvang vindt ten tijde van het onderzoek plaats in een basisgroep. Een basisgroep is een groep kinderen wat in dezelfde ruimte, samenstelling en met een vaste beroepskracht wordt opvangen.

 

Aangezien de houder tevens de enige beroepskracht is, is zij voor ieder kind de mentor.

De mentor bespreekt de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders. Tevens is de mentor voor de ouders aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de voorwaarden waardoor de stabiliteit van de opvang voor kinderen wordt geborgd.

 

 

 

Gebruik van de voorgeschreven voertaal

De beroepskrachten spreken Nederlands tegen elkaar en met de kinderen.

 

De documenten zijn geschreven in de Nederlandse taal.

 

Conclusie:

De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt op de locatie.

 

 

Gebruikte bronnen

            Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (op 31-10-2019)

            Observatie(s) (op locatie)

            Personen Register Kinderopvang (geraadpleegd op 06-11-2019)

            Diploma/kwalificatie beroepskracht (op locatie gezien en aanwezig)

            Nieuwsbrieven (ontvangen op 5-11-2019)

            Overzicht ingeschreven kinderen (op locatie aanwezig)

             Document ‘Urenverantwoording Pedagogisch beleidsmedewerker/ pedagogisch coach

(ontvangen op 05-11-2019)

             Factuur training pedagogisch coach Kans², Branche erkende combinatie van Scholing voor

Pedagogiek 0-13 jaar en Scholing voor Coaching (ontvangen op 05-11-2019).

             Diploma coach: Cabosse Pedagogiek 0-13 jaar voor Pedagogisch coaches (ontvangen op 11-

11-2019)

 

 

 

 

 

Veiligheid en gezondheid

 

Inleiding

De houder moet zorgen voor veilige en gezonde opvang. Hiervoor moet de houder hebben vastgelegd wat de risico’s zijn met betrekking tot de veiligheid en gezondheid van kinderen en wat zij doet om deze zo klein mogelijk te houden. Ook moet de houder beschrijven hoe er wordt gehandeld als een risico toch in de praktijk gebeurt. Daarnaast gaat het om het risico op grensoverschrijdend gedrag.

 

De houder zorgt ervoor dat medewerkers worden betrokken bij het maken van dit beleid en dat zij er mee werken.

 

 

 

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

De houder heeft een veiligheids- en gezondheidsbeleid opgesteld waarin de risico’s van de opvanglocatie inzichtelijk zijn gemaakt voor beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders.

 

De houder draagt er zorg voor dat er in het beleid schriftelijk wordt vastgelegd welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt:

             De voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid van kinderen;

             De voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de gezondheid van kinderen;

       Het risico op grensoverschrijdend gedrag door de houder zelf, vrijwilligers, overige aanwezige volwassenen en kinderen

 

 

De uitvoering van het plan van aanpak, alsmede de wijze waarop kinderen wordt geleerd om te

gaan met kleine risico’s staat beschreven in het Veiligheids- en gezondheidsbeleid.

Het betreft een actueel beleid waarbij aandacht is voor het vormen, implementeren, evalueren en actualiseren van het beleid. Dit is een continu proces.

 

Dit blijkt uit het gesprek met de houder.

 

De houder heeft een achterwachtregeling ingesteld.

 

Ten tijde van de inspectie is de houder aanwezig, zij is gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen. Dat blijkt uit het getoonde certificaat.

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden met betrekking tot het veiligheids- en gezondheidsbeleid.

 

 

Gebruikte bronnen

            Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (op 31-10-2019)

            EHBO certificaat (op locatie aanwezig en beoordeeld)

            Beleid veiligheid- en gezondheid (opgevraagd en ontvangen op 05-11-2019)

 

 

Ouderrecht

 

Inleiding

Onder de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving gelden onder meer eisen voor informatieverstrekking aan ouders, het instellen van een oudercommissie en de afhandeling van klachten en geschillen.

Tijdens de inspectie is beoordeeld hoe de houder de ouders betrekt bij en informeert over het

beleid, en of de ouders in de gelegenheid worden gesteld medezeggenschap uit te oefenen.

 

 

 

Oudercommissie

In dit kindercentrum worden minder dan 50 kinderen opgevangen. De houder biedt ouders de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie door ouders te werven via de nieuwbrief.

 

BSO De Bosbes heeft geen oudercommissie, de houder betrekt de ouders aantoonbaar op een andere wijze bij onderwerpen waarvoor adviesrecht geldt, door middel van nieuwsbrieven.

 

Conclusie:

Er wordt voldaan aan de getoetste eisen betreffende de oudercommissie.

 

 

Gebruikte bronnen

            Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (op 31-10-2019)

            Nieuwsbrieven (ontvangen op 5-11-2019)

 

 

Overzicht getoetste inspectie-items

 

 

 

Pedagogisch klimaat

 

 

Pedagogisch beleid

Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder van een kindercentrum draagt er zorg voor dat in de buitenschoolse opvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.

 

(art 1.49 lid 1 en 2, 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde buitenschoolse opvang, bedoeld in artikel 11 van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de basisgroepen.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de basisgroep kunnen verlaten.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van buitenschoolse opvang gedurende extra dagdelen.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

Pedagogische praktijk

 

In het kader van het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang, draagt de houder van een kindercentrum er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:

a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen

voelen;

b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat

te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;

c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties

met anderen op te bouwen en te onderhouden;

d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.

 

(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 11 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

 

 

Personeel en groepen

 

 

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn:

a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum;

b. de personen die op basis van een arbeidsovereenkomst met de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden

opgevangen;

c. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waarmee de houder exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;

d. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen;

e. de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres.

 

Voor zover het natuurlijke personen betreft is eenieder als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingeschreven in het personenregister kinderopvang.

 

(art 1.50 lid 3 Wet kinderopvang)

De houder van een kindercentrum draagt zorg voor koppeling met de in artikel 1.50 derde lid van de wet genoemde personen inclusief hemzelf.

 

(art 1.48d lid 3 Wet kinderopvang)

Na inschrijving van een persoon als bedoeld in artikel 1.50 derde lid van de wet in het personenregister kinderopvang en na koppeling met de houder van een kindercentrum kan de persoon zijn werkzaamheden aanvangen.

 

(art 1.50 lid 4 Wet kinderopvang)

Een verklaring omtrent het gedrag wordt door de houder van een kindercentrum binnen een door de toezichthouder gestelde termijn overgelegd indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat de houder, een persoon werkzaam bij de onderneming of een persoon van 12 jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum, niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.

 

(art 1.50 lid 6 en 8 Wet kinderopvang)

 

Opleidingseisen

 

Beroepskrachten beschikken over een passende opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk.

Een beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang beschikt daarbij over een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij de Duitse, Engelse of Franse taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, lezen,

luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B2 van het Europees Referentiekader (ERK)

voor talen.

 

(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 15 lid 1 en 2 Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9a lid 1 en 2 Regeling Wet kinderopvang)

 

Pedagogisch beleidsmedewerkers beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk.

 

(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 15 lid 3 en 4 Besluit kwaliteit kinderopvang; 9a lid 3

Regeling Wet kinderopvang)

 

Aantal beroepskrachten en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires

De houder van een kindercentrum zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen, met dien verstande dat:

– de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1, onderdeel b, bij het besluit kwaliteit kinderopvang en de daarbij behorende rekenregels;

– Indien kinderen bij een activiteit zoals beschreven in het pedagogisch beleidsplan de basisgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaalaantal minimaal op of, indien de activiteit buiten het kindercentrum plaatsvindt, vanuit het kindercentrum in te zetten beroepskrachten, ten

opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit;

– in afwijking hiervan op grond van het Besluit kwaliteit kinderopvang art.16 lid 4 minder beroepskrachten zijn ingezet.

 

(art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 16 lid 1, 2, 3 en 4 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

 

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

 

De houder heeft het minimaal aantal uren waarvoor de pedagogisch beleidsmedewerker jaarlijks ingezet moet worden, bepaald op grond van de rekenregels in het besluit.

 

(art 1.50 lid 1 en 2 sub j Wet kinderopvang; art 17 lid 1 en 2 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

 

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

 

Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in basisgroepen. Een kind wordt opgevangen in één basisgroep. De maximale grootte van de basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1, onderdeel b van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 18 lid 1, 2, 3 en 4 Besluit kwaliteit kinderopvang) Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor is een beroepskracht van het kind en

bespreekt, indien wenselijk, de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders. Tevens is de mentor voor de ouders en het kind aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.

 

(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 18 lid 5 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

 

Gebruik van de voorgeschreven voertaal

 

De Nederlandse taal wordt als voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt. In afwijking hiervan kan meertalige buitenschoolse opvang worden verzorgd conform de definitie en in overeenstemming met de voorwaarden die daarvoor gelden.

 

(art 1.50 lid 2 onder i en art 1.55 lid 1 en 3 Wet kinderopvang)

 

OF

Er wordt naast de Nederlandse voertaal mede een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder van een kindercentrum vastgestelde gedragscode.

 

(art 1.55 lid 2 Wet kinderopvang)

 

 

 

Veiligheid en gezondheid

 

 

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

De houder van een kindercentrum heeft voor elk kindercentrum een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder draagt er zorg voor dat er in de buitenschoolse opvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

De houder of voorgenomen houder van een kindercentrum stelt het veiligheids- en gezondheidsbeleid schriftelijk vast en verstrekt dit bij de aanvraag tot exploitatie. De houder evalueert, en indien nodig actualiseert, het veiligheids- en gezondheidsbeleid binnen drie maanden na opening van het kindercentrum. Daarna houdt de houder het veiligheids- en gezondheidsbeleid actueel.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 2 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder van een kindercentrum er zorg voor draagt dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid samen met de beroepskrachten een continu proces is van het vormen van beleid, implementeren, evalueren en actualiseren.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een concrete beschrijving van de risico’s die de opvang van kinderen van het desbetreffende kindercentrum met zich meebrengt, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

– de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid van kinderen;

– de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de gezondheid van kinderen;

– het risico op grensoverschrijdend gedrag door beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers, overige aanwezige volwassenen en kinderen.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een plan van aanpak waarin in concrete termen is aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen, teneinde deze voornaamste risico’s met grote gevolgen betreffende veiligheid, gezondheid en het risico op grensoverschrijdend gedrag in te perken en de handelswijze indien deze risico’s zich verwezenlijken.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

 

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een beschrijving in algemene zin van de wijze waarop kinderen wordt geleerd om te gaan met risico’s waarvan de gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van kinderen beperkt zijn en welke derhalve niet zijn aan te merken als voornaamste risico’s met grote gevolgen betreffende veiligheid en gezondheid en als risico op grensoverschrijdend gedrag.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder van een kindercentrum er zorg voor draagt dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan inzichtelijk zijn voor de beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de wijze waarop de achterwacht is geregeld indien er met inachtneming van de beroepskracht- kindratio of bij het afwijken van de inzet van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van de beroepskracht-kindratio, slechts een beroepskracht op het kindercentrum aanwezig is.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder f en art 16 lid 5 en 6

Besluit kwaliteit kinderopvang)

De houder van een kindercentrum draagt er zorg voor dat er gedurende de buitenschoolse opvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen conform de in de Regeling Wet kinderopvang aan deze kwalificatie gestelde nadere regels.

 

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 4 Besluit kwaliteit kinderopvang;

art 9b Regeling Wet kinderopvang)

 

 

Ouderrecht

 

 

Oudercommissie

 

Er is, zes maanden na registratie, een oudercommissie ingesteld die tot taak heeft de houder van een kindercentrum te adviseren over de onderwerpen in artikel 1.60 van de Wet kinderopvang. OF

De verplichting tot het instellen van een oudercommissie geldt niet omdat het een kindercentrum betreft waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen en de houder van een kindercentrum zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een oudercommissie in te stellen.

 

(art 1.58 lid 1 en 2 Wet kinderopvang)

 

 

 

Gegevens voorziening

 

Opvanggegevens

Naam voorziening                                      : De Bosbes

Vestigingsnummer KvK                               : 000001135593

Aantal kindplaatsen                                    : 6

 

 

Gegevens houder

Naam houder                                             : Mariël Boerrigter

KvK nummer                                             : 01135593

Aansluiting geschillencommissie                  : Ja

 

 

Gegevens toezicht

 

Gegevens toezichthouder (GGD)

Naam GGD                                                : GGD Drenthe

Adres                                                        : Postbus 144

Postcode en plaats                                     : 9400AC ASSEN Telefoonnummer                                        : 0592-306300

Onderzoek uitgevoerd door                         : C. Dix

 

 

Gegevens opdrachtgever (gemeente)

Naam gemeente                                        : Tynaarlo

Adres                                                        : Postbus 5

Postcode en plaats                                     : 9480AA VRIES

 

 

Planning

Datum inspectie                                         : 31-10-2019

Opstellen concept inspectierapport              : 18-11-2019

Zienswijze houder                                      : Niet van toepassing

Vaststelling inspectierapport                       : 27-11-2019

Verzenden inspectierapport naar houder      : 27-11-2019

 

Verzenden inspectierapport naar gemeente

 

: 27-11-2019

 

Openbaar maken inspectierapport               : 27-11-2019

 

Bijlage: Zienswijze houder kindercentrum

De zienswijze betreft een reactie van de houder op de inhoud van het inspectierapport.

 

Op 27-11-2019 heeft er telefonisch contact plaats gevonden met de houder. De houder heeft aangegeven akkoord te  gaan met de inhoud van het inspectierapport.

ier je tekst