Inspectierapport
De Bosbes (BSO)
Brigadelaan 13
9471MP Zuidlaren
Registratienummer 197107461
Toezichthouder: GGD Drenthe
In opdracht van gemeente: Tynaarlo
Datum inspectie: 30-10-2018
Type onderzoek : Jaarlijks onderzoek
Status: Definitief
Datum vaststelling inspectierapport: 16-11-2018

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave ……………………………………………………………………………………………………. 2
Het onderzoek ………………………………………………………………………………………………….. 3
Observaties en bevindingen …………………………………………………………………………………. 4
Overzicht getoetste inspectie-items ………………………………………………………………………. 10
Gegevens voorziening ……………………………………………………………………………………….. 14
Gegevens toezicht ……………………………………………………………………………………………. 14
Bijlage: Zienswijze houder kindercentrum ……………………………………………………………….. 15

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Het onderzoek
Onderzoeksopzet
Dit onderzoek is uitgevoerd op grond van artikel 1.62 lid 2 van de Wet kinderopvang. Het betreft een onaangekondigd jaarlijks onderzoek.
Op basis van het risicogestuurd toezicht (RGT) zijn de inspectieactiviteiten in dit onderzoek bepaald. Dit leidt tot een inspectie op maat. Deze inspectieactiviteiten richten zich primair op de kwaliteit van de dagelijkse praktijk aangevuld met nieuwe wetgeving.
Beschouwing
Algemeen
BSO de Bosbes is een kleinschalige BSO welke is gevestigd in een woonhuis.
Gedurende de werkweek wordt op alle dagen behalve woensdag opvang geboden aan ten hoogste zes kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar.
Inspectiegeschiedenis
In 2015, 2016 werd er voldaan aan de geïnspecteerde voorwaarden.
In 2017 werd er voldaan aan de geïnspecteerde voorwaarden na overleg en overreding op de onderwerpen pedagogisch beleid, veiligheid en ouderrecht.
Overleg en overreding
Er heeft overleg en overreding plaatsgevonden op de domeinen Pedagogisch klimaat, Veiligheid & Gezondheid en Ouderrecht.
De houder heeft de documenten binnen de afgesproken tijd aangepast en aan de toezichthouder opgestuurd. De documenten voldoen nu aan de getoetste wettelijke voorwaarden.
Bevindingen
Op de locatie zijn een deel van de documenten beoordeeld. De houder heeft een aantal andere documenten binnen de afgesproken termijn naar de toezichthouder gestuurd.
De locatie voldoet ten tijde van het onderzoek aan de geïnspecteerde eisen uit de Wet Kinderopvang (Wko) en aanverwante regelgeving.
Advies aan College van B&W
Geen handhaving.

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Observaties en bevindingen
Pedagogisch klimaat
Inleiding
Onder de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving gelden onder meer eisen voor de inhoud van een pedagogisch beleidsplan en de relatie van het beleidsplan met de praktijk. In het pedagogisch beleidsplan dient o.a. de kenmerkende visie op de omgang met kinderen beschreven te staan.
Tijdens dit onderzoek is het pedagogisch beleidsplan beoordeeld op inhoud en volledigheid. Onderzocht is of het pedagogisch beleid ten minste een concrete beschrijving bevat van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan aspecten van verantwoorde kinderopvang.
Het Nederlands Jeugdinstituut heeft het veldinstrument observatie pedagogische praktijk in 2011 ontwikkeld in opdracht van GGD GHOR Nederland. Het handelen van de beroepskrachten met betrekking tot de aspecten van verantwoorde kinderopvang is beoordeeld aan de hand van de observatie items uit dit veldinstrument.
Pedagogisch beleid
De houder heeft een algemeen pedagogisch beleidsplan opgesteld waarin de visie en de werkwijze de buitenschoolse opvang staat beschreven.
Op de locatie wordt conform het pedagogisch beleidsplan gehandeld, wat blijkt uit de observatie en uit het gesprek met de houder.
Overleg en overreding
Het pedagogisch beleidsplan voldeed tijdens het onderzoek nog niet aan alle onderzochte wettelijke voorwaarden.
In het kader van overleg en overreding is de houder gevraagd de volgende punten aan te passen in het pedagogisch beleidsplan:
 Geef een concrete beschrijving de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.
 Geef een concrete beschrijving van de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind.
De houder heeft het pedagogisch beleidsplan aangepast en ter beoordeling aan de toezichthouder toegestuurd.
Het aangepaste document is als voldoende beoordeeld.
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden.
Pedagogische praktijk
De houder van een kindercentrum moet verantwoorde kinderopvang bieden.
Hieronder wordt verstaan: het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen, het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen en de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen.
Het oordeel van de toezichthouder is tot stand gekomen door waarnemingen tijdens de observatie.
Uit deze pedagogische observatie is gebleken dat de beroepskrachten ten tijde van het onderzoek handelen volgens het pedagogisch beleid en aansluiten bij het ontwikkelingsniveau van de kinderen. Hierna zijn enkele voorbeelden beschreven waarop dit oordeel is gebaseerd.
De observatie is gedaan op het moment dat de kinderen en de beroepskracht aan tafel zitten.
Later ook wanneer de kinderen in de groepsruimte spelen.

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Er zijn tijdens het inspectiebezoek zes kinderen aanwezig. Er is veel interactie tussen de kinderen en de beroepskracht, en tussen de kinderen onderling.
De beroepskracht toont interesse in de kinderen, vraagt naar de dag op school en overlegt met ze wat ze na het tafelmoment gaan doen.
Een van de kinderen gaat binnenkort van de BSO af en mag daarom trakteren.
De kinderen krijgen allemaal een zakje met kruidnoten. De beroepskracht vraag “en voor wie is die lekkere reep chocolade?”
Een van de kinderen: “Mariël [houder] hoopt heel erg…” De kinderen en beroepskracht moeten lachen.
De sfeer op de groep is goed, kinderen kennen elkaar en de beroepskracht goed. Er is weinig onenigheid, als dat er wel is lossen de kinderen dat meestal zelf goed op.
De beroepskracht is vriendelijk, geeft het goede voorbeeld in woord en gebaar; biedt voldoende activiteiten aan maar laat kinderen ook de ruimte om zelf iets te doen.
De kinderen gaan goed met elkaar o, overleggen regelmatig met elkaar wat ze willen gaan doen.
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de getoetste wettelijke voorwaarden met betrekking tot het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang.
Gebruikte bronnen:
 Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (gesprek met houder op 30 oktober 2018)
 Observaties (op de groep
 Pedagogisch beleidsplan (versie 27-12-2017)

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Personeel en groepen
Inleiding
Onder de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving gelden onder meer eisen voor verklaringen omtrent het gedrag (VOG) voor personen werkzaam bij de kinderopvangorganisatie. Daarnaast gelden eisen voor de opvang in groepen en het aantal beroepskrachten dat ingezet moet worden op een groep kinderen.
Binnen dit domein zijn de beroepskrachten steekproefsgewijs gecontroleerd op een passende beroepskwalificatie. Daarnaast is er steekproefsgewijs beoordeeld of de medewerkers die in dienst zijn van de houder, of structureel aanwezigen, gekoppeld zijn aan het Personen register Kinderopvang (PRK). Een koppeling kan alleen plaats vinden wanneer de persoon een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG) heeft.
Verder is gecontroleerd hoe de houder de groepen indeelt en of er aan de beroepskracht-kind ratio (BKR) wordt voldaan. De beroepskracht-kindratio (BKR) en de stam/basisgroepen zijn gecontroleerd door middel van roosters, plaatsingslijsten en presentielijsten.
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang
De houder, vrijwilliger en huisgenoot zijn geregistreerd in het Personenregister Kinderopvang (PRK) en gekoppeld aan deze houder.
Registratie in het PRK betekent dat de geregistreerde persoon beschikt over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden.
Opleidingseisen en eisen aan de inzet van leerlingen
De houder beschikt over een diploma welke voldoet aan de regels in de meest recente CAO Kinderopvang.
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden.
Aantal beroepskrachten
De houder is tevens de enige beroepskracht.
Op een BSO mogen maximaal tien kinderen per beroepskracht worden opgevangen.
Op basis van de beschikbare ruimte worden op deze BSO niet meer dan zes kinderen tegelijkertijd opgevangen.
Er wordt hiermee altijd voldaan aan het beroepskracht-kindratio.
Uit de observatie tijdens het inspectiebezoek en uit de door de houder overlegde de gegevens blijkt dat er niet meer dan zes kinderen tegelijkertijd worden opgevangen.
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden omtrent de beroepskracht-kindratio.
Stabiliteit van de opvang voor kinderen
De opvang vindt ten tijde van het onderzoek plaats in een basisgroep. Een basisgroep is een groep kinderen wat in dezelfde ruimte, samenstelling en met een vaste beroepskracht wordt opvangen.
Nieuw is dat in 2018 ieder kind een vaste mentor moet krijgen aangewezen.
Aangezien de houder tevens de enige beroepskracht is, is zij voor ieder kind de mentor.
De mentor bespreekt de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders. Tevens is de mentor voor de ouders aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de voorwaarden waardoor de stabiliteit van de opvang voor kinderen wordt geborgd.
Gebruikte bronnen:
 Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (gesprek met houder op 30 oktober 2018)
 Observaties (op de groep)
 Personen Register Kinderopvang (geraadpleegd op 07-11-2018)
 Diploma beroepskracht (MDGO-AB)
 Website (geraadpleegd op 07-11-2018)
 Presentielijsten (geraadpleegd op locatie)

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Veiligheid en gezondheid
Inleiding
Onder de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving worden onder meer voorwaarden gesteld waaruit blijkt dat de houder moet zorgdragen voor kinderopvang in een veilige en gezonde omgeving.
Het gaat daarbij onder meer over de volgende onderwerpen:
 De houder moet een veiligheidsbeleid en gezondheidsbeleid voeren dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zo veel mogelijk waarborgt.
 De houder is verantwoordelijk voor een vastgelegde procedure en implementatie daarvan op het gebied van kindermishandeling (met inbegrip van huiselijk geweld).
De bevindingen hieromtrent worden hieronder beschreven en beoordeeld.
Veiligheids- en gezondheidsbeleid
Tijdens de inspectie is gekeken of de houder een veiligheids- en gezondheidsbeleid heeft gemaakt, waarin de risico’s van de opvanglocatie inzichtelijk worden gemaakt.
Er is onderscheid gemaakt tussen de grote en de kleine risico’s.
Het betreft een actueel beleid waarbij aandacht is voor het vormen, implementeren, evalueren en actualiseren van het beleid. Dit is een continue proces.
De houder heeft een achterwachtregeling ingesteld.
Ten tijde van de inspectie is er een volwassene aanwezig die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.
Overleg en overreding
Het Beleid veiligheid en gezondheid voldeed tijdens het onderzoek nog niet aan alle onderzochte wettelijke voorwaarden:
 Niet alle risico’s zijn duidelijk omschreven, zodat niet altijd duidelijk is om welk risico het precies gaat
 Bij sommige risico’s ontbreekt een opsomming de genomen maatregelen
 Bij sommige risico’s ontbreekt de handelwijze wanneer een risico zich toch voordoet
 In het beleidsplan ontbreekt een beschrijving hoe het document voor ouders inzichtelijk is.
In het kader van overleg en overreding is de houder gevraagd deze punten aan te passen in het Beleid veiligheid en gezondheid.
De houder heeft het beleid veiligheid en gezondheid aangepast en ter beoordeling aan de toezichthouder toegestuurd.
Het aangepaste document is als voldoende beoordeeld.
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de getoetste voorwaarden met betrekking tot het veiligheids- en gezondheidsbeleid.
Gebruikte bronnen:
 Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (gesprek met houder op 30 oktober 2018)
 Observaties (op de groep)
 EHBO certificaat
 Beleid veiligheid- en gezondheid

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Ouderrecht
Inleiding
Onder de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving gelden onder meer eisen voor informatieverstrekking aan ouders, het instellen van een oudercommissie en de afhandeling van klachten en geschillen.
Tijdens de inspectie is beoordeeld hoe de houder de ouders betrekt bij en informeert over het beleid, en of de ouders in de gelegenheid worden gesteld medezeggenschap uit te oefenen. Tevens is beoordeeld of in het geval van tegengestelde belangen ouders en oudercommissie een beroep kunnen doen op een onafhankelijke geschillencommissie.
Oudercommissie
De houder heeft geen oudercommissie ingesteld.
Aangezien bij deze opvang minder dan 50 kinderen zijn ingeschreven, mag de houder de ouder-inspraak op een andere manier regelen.
Wel moet de houder zich aantoonbaar blijven inspannen om ouder te werven voor een oudercommissie.
Overleg en overreding
In het pedagogisch beleidsplan benoemd de houder dat zij niet verplicht is om een oudercommissie in te stellen. Dit is echter niet correct, zoals hierboven beschreven.
De houder heeft wel beschreven op welke andere wijze zij ouders betrekt bij veranderingen, maar beschrijving is onvoldoende omdat het niet duidelijk maakt dat het hier gaat om adviesvragen aan ouders.
Wel toont de houder door middel van een e-mailbericht aan dat ouders worden betrokken bij veranderingen in het beleid.
In het kader van overleg en overreding is de houder gevraagd het pedagogisch beleidsplan hierop aan te passen.
De houder heeft dit gedaan en aangepaste versie ter beoordeling aan de toezichthouder toegestuurd. Het aangepaste pedagogisch beleid is op dit punt goedgekeurd.
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden.
Gebruikte bronnen:
 Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (gesprek met houder op 30 oktober 2018)
 Reglement oudercommissie
 Notulen oudercommissie
 Informatiemateriaal voor ouders
 Website (geraadpleegd op 07-11-2018)

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Overzicht getoetste inspectie-items
Pedagogisch klimaat Pedagogisch beleid
Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat in de buitenschoolse opvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.
(art 1.49 lid 1 en 2, 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde buitenschoolse opvang, bedoeld in artikel 11 van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de basisgroepen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de tijden waarop er minder beroepskrachten worden ingezet dan vereist is op basis van het aantal aanwezige kinderen, alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken en wordt voldaan aan de beroepskracht-kindratio. De afwijkende inzet van het minimum aantal beroepskrachten op grond van de beroepskracht-kindratio kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de basisgroep kunnen verlaten.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van buitenschoolse opvang gedurende extra dagdelen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de buitenschoolse opvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de omgang met de basisgroep bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de wijze waarop meertalige buitenschoolse opvang in het kindercentrum wordt vormgegeven.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder f Besluit kwaliteit kinderopvang)

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Pedagogische praktijk
In het kader van het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden: a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden; d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 11 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Personeel en groepen Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang
In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn: a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum; b. de personen die op basis van een arbeidsovereenkomst met de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; c. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen; d. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen; e. de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres. Voor zover het natuurlijke personen betreft is eenieder als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingeschreven in het personenregister kinderopvang.
(art 1.50 lid 3 Wet kinderopvang)
De houder van een kindercentrum draagt zorg voor koppeling op basis van het burgerservicenummer, met de in artikel 1.50 derde lid van de Wet genoemde personen inclusief hemzelf.
(art 1.48d lid 2 en 3 Wet kinderopvang)
Na inschrijving van een persoon als bedoeld in artikel 1.50 derde lid van de Wet in het personenregister kinderopvang en na koppeling met de houder kan de persoon zijn werkzaamheden aanvangen.
(art 1.50 lid 4 Wet kinderopvang) Opleidingseisen en eisen aan de inzet van leerlingen
Beroepskrachten en beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding en bewijsstukken. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor beroepskrachten worden genoemd in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding. Een beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang beschikt daarbij over een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij de Duitse, Engelse of Franse taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, lezen, luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B2 van het Europees Referentiekader (ERK) voor talen.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 15 lid 1 en 2 Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9a lid 1 en 2 Regeling Wet kinderopvang)
1
Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Aantal beroepskrachten
De verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep (beroepskracht-kindratio) wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1a, onderdeel b bij het besluit en de daarbij behorende rekenregels. Gebruik kan worden gemaakt van de rekentool op de website www.1ratio.nl In afwijking hiervan kunnen voor en na de dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen van de basisschool voor ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal beroepskrachten wordt ingezet. Indien bij buitenschoolse opvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden, kunnen, op vrije dagen van de basisschool of tijdens de schoolvakanties, in afwijking van het aantal minimaal in te zetten beroepskrachten, voor ten hoogste drie uren per dag minder beroepskrachten worden ingezet. Dit met inachtneming van de in het pedagogisch beleidsplan vastgestelde tijden waarop minder beroepskrachten kunnen worden ingezet dan minimaal vereist op grond van de beroepskracht-kindratio alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken. Gedurende de uren dat minder beroepskrachten worden ingezet wordt ten minste de helft van het aantal vereiste beroepskrachten ingezet. De afwijkende inzet kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.
(art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder a en 16 lid 1, 2 en 4 Besluit kwaliteit kinderopvang) Stabiliteit van de opvang voor kinderen
Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in basisgroepen. Een kind wordt opgevangen in één basisgroep. De maximale grootte van de basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1a, onderdeel b van het Besluit kwaliteit kinderopvang. Het vereiste van opvang in één basisgroep geldt niet: – indien kinderen bij activiteiten als beschreven in het pedagogisch beleidsplan de basisgroep verlaten; – indien met vooraf gegeven schriftelijke toestemming van de ouders het kind gedurende een tussen houder en ouders overeengekomen periode worden opgevangen in één andere basisgroep dan de vaste basisgroep. De eis ten aanzien van de maximale groepsgrootte geldt niet indien kinderen bij activiteiten als beschreven in het pedagogisch beleidsplan de groep verlaten.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 18 lid 1, 2, 3 en 4 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Veiligheid en gezondheid Veiligheids- en gezondheidsbeleid
De houder heeft voor elk kindercentrum een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder draagt er zorg voor dat er in de buitenschoolse opvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)
De houder of voorgenomen houder stelt het veiligheids- en gezondheidsbeleid schriftelijk vast en verstrekt dit bij de aanvraag tot exploitatie. De houder evalueert, en indien nodig actualiseert, het veiligheids- en gezondheidsbeleid binnen drie maanden na opening van het kindercentrum. Daarna houdt de houder het veiligheids- en gezondheidsbeleid actueel.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 2 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder er zorg voor draagt dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid samen met de beroepskrachten een continue proces is van het vormen van beleid, implementeren, evalueren en actualiseren.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een concrete beschrijving van de risico’s die de opvang van kinderen van het desbetreffende kindercentrum met zich meebrengt, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op: – de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid van kinderen; – de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de gezondheid van kinderen; – het risico op grensoverschrijdend gedrag door beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers, overige aanwezige volwassenen en kinderen.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een plan van aanpak waarin in concrete termen is aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen, teneinde deze voornaamste risico’s met grote gevolgen betreffende veiligheid, gezondheid en het risico op grensoverschrijdend gedrag in te perken en de handelswijze indien deze risico’s zich verwezenlijken.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een beschrijving in algemene zin van de wijze waarop kinderen wordt geleerd om te gaan met risico’s waarvan de gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van kinderen beperkt zijn en welke derhalve niet zijn aan te merken als voornaamste risico’s met grote gevolgen betreffende veiligheid en gezondheid en als risico op grensoverschrijdend gedrag.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder er zorg voor draagt dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan inzichtelijk zijn voor de beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de wijze waarop de achterwacht is geregeld indien er met inachtneming van de beroepskracht-kindratio of bij het afwijken van de inzet van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van de beroepskracht-kindratio, slechts een beroepskracht op het kindercentrum aanwezig is.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 3 onder f en art 16 lid 5 en 6 Besluit kwaliteit kinderopvang)
De houder draagt er zorg voor dat er gedurende de buitenschoolse opvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen conform de in de Regeling Wet kinderopvang aan deze kwalificatie gestelde nadere regels.
(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 4 Besluit kwaliteit kinderopvang; art 8 Regeling Wet kinderopvang)
Ouderrecht Oudercommissie
Als er conform artikel 1.58 tweede lid geen oudercommissie is ingesteld, betrekt de houder de ouders aantoonbaar voldoende op een andere wijze bij: – de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 1.50, eerste lid; – het pedagogisch beleid dat wordt gevoerd; – voedingsaangelegenheden van algemene aard; – het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid; – openingstijden; – het beleid met betrekking tot het aanbieden van voorschoolse educatie; – de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten; – wijziging van de prijs van kinderopvang. Ook blijft de houder ouders de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een oudercommissie.
(art 1.58 lid 2 en 3 en 1.60 lid 1 Wet kinderopvang)

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Gegevens voorziening
Opvanggegevens
Naam voorziening
: De Bosbes
Vestigingsnummer KvK
: 000001135593
Aantal kindplaatsen
: 6
Gegevens houder
Naam houder
: Mariël Boerrigter
KvK nummer
: 01135593
Aansluiting geschillencommissie
: Ja
Gegevens toezicht
Gegevens toezichthouder (GGD)
Naam GGD
: GGD Drenthe
Adres
: Postbus 144
Postcode en plaats
: 9400AC ASSEN
Telefoonnummer
: 0592-306300
Onderzoek uitgevoerd door
:
M Oranje
Gegevens opdrachtgever (gemeente)
Naam gemeente
: Tynaarlo
Adres
: Postbus 5
Postcode en plaats
: 9480AA VRIES
Planning
Datum inspectie
: 30-10-2018
Opstellen concept inspectierapport
: 14-11-2018
Zienswijze houder
: Niet van toepassing
Vaststelling inspectierapport
: 16-11-2018
Verzenden inspectierapport naar houder
: 16-11-2018
Verzenden inspectierapport naar gemeente
: 16-11-2018
Openbaar maken inspectierapport
: 16-11-2018
15 van 15
Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 30-10-2018
De Bosbes te Zuidlaren
Bijlage: Zienswijze houder kindercentrum
De zienswijze betreft een reactie van de houder op de inhoud van het inspectierapport.
De houder is akkoord met de inhoud van het rapport.