Inleiding

 

BSO De Bosbes verzorgt opvang voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Het belangrijkste doel is kleinschalige, bewuste opvang. Kinderen een veilige omgeving bieden waarin ze mogen zijn wie ze zijn, een omgeving bieden waarin ze welkom zijn, waarin ze zich mogen ontwikkelen tot evenwichtige mensen. Deze ontwikkeling wil ik ze aanbieden door opvang te organiseren voornamelijk buiten. Geen betere plek om te ontdekken dan in de natuur. Ontdekken betekent ontwikkelen.

Naar mijn idee is ieder mens gelijkwaardig en ik vind het belangrijk om er bewust van te zijn dat ieder mens uniek is. Als kind wil je gehoord worden ook binnen het groepsproces. We gaan respectvol met elkaar om en met de omgeving.

Verzorgers/ouders die hun kind aan mij toevertrouwen wil ik een onderbouwde visie bieden. De verantwoordelijkheid die ik draag voor de kinderen neem ik serieus en is iets om zorgvuldig mee om te gaan.

De natuur is onze leerschool!

Inhoud

 

Visie/Missie                                                                                                                           3

 

Hoofdstuk 1    Het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen         4

1.1       Sociaal/emotioneel                                                                                                 4

1.2       Motorisch                                                                                                                   4

1.3       Cognitief                                                                                                                    4

1.4       Identiteit/zelfredzaamheid                                                                                    5

1.5       Veiligheid en geborgenheid                                                                                  5

 

Hoofdstuk 2    Kind                                                                                                             6

2.1       Kind en voeding                                                                                                      6

2.2       Kind en activiteit                                                                                                     6

2.3       Kind en natuur                                                                                                        7

 

Hoofdstuk 3    Groepsgrootte/BSO-ruimte/achterwacht                                          8

 

Hoofdstuk 4    Ophalen van kinderen                                                                             9

 

Hoofdstuk 5    Wenbeleid                                                                                                10

 

Hoofdstuk 6    Werkwijze en activiteiten BSO De Bosbes                                          11

 

Hoofdstuk 7    Zieke kinderen                                                                                          12

 

Hoofdstuk 8    Normen en waarden                                                                               13

 

Hoofdstuk 9    Samenwerking met ouders                                                                   14

 

1. Het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen

 

1.1 Sociaal/emotioneel

Door de omgang met leeftijdsgenoten, deel uitmaken van een groep en het deelnemen aan groepsgebeurtenissen oefent een kind vaardigheden zoals het in een ander kunnen verplaatsen, communiceren, samenwerken, conflicten voorkomen en oplossen. Al deze vaardigheden geven hen de kans zich te ontwikkelen tot evenwichtige personen.

Emotioneel gezien leert een schoolkind omgaan met frustraties. Er is blijheid maar ook verdriet en boosheid. Deze emoties mogen er zijn. Door actief te luisteren (Gordon) voelt het kind zich gehoord en leert omgaan met deze emoties. Op deze manier lossen we samen problemen op. Het zelfbeeld van een kind is belangrijk. Het gevoel er te mogen zijn, elk kind met zijn eigenaardigheden. Als een kind het gevoel heeft dat het geaccepteerd wordt kan hij zich verder ontwikkelen.

 

1.2 Motorisch

De motorische ontwikkeling is bij schoolgaande kinderen enorm. We hebben de grove motoriek zoals rollen, lopen, dansen, springen. Bij de fijne motoriek gaat het om de handmotoriek en andere (kleine) bewegingen zoals spreken en bewegen van de ogen. Buiten kunnen we de natuurlijke behoefte van kinderen op dit gebied prachtig vervullen. Te denken valt aan hutten bouwen, bomen klimmen, tikspelen. En de fijnere motoriek zoals het zaaien in de tuin, vogelvoer maken, natuurlijke mandala’s maken, kabouterhuisjes maken, teveel om op te noemen.

Als leidster ben ik in de buurt om te helpen, voor het kind belangrijk om te weten. Door mijn stimulerende houding krijgt het kind vertrouwen in eigen kunnen wat weer positief is voor het zelfbeeld.

 

1.3 Cognitief

Nadenken, redeneren, en problemen oplossen, dit zijn aspecten van de cognitieve ontwikkeling. Kinderen ontwikkelen deze aspecten in interactie met de wereld om zich heen. In het bos worden deze aspecten aangesproken. Kinderen zijn vanuit zichzelf nieuwsgierig en leergierig. Deze interesse gebruik ik om ze dingen uit de natuur te leren.

In de winter zijn we meer binnen en komen de spelletjes meer op tafel. Hierin komen de cognitieve vaardigheden en taalvaardigheden aan bod.

1.4 Identiteit/zelfredzaamheid

De ontwikkeling van een eigen ‘ik’, zelfredzaamheid en een positief zelfbeeld heeft alles te maken met zelfvertrouwen, zelfstandigheid en de eigenheid van het kind respecteren. Eigen keuzes maken staan hierin centraal. Dit betekent niet dat alles van een kind goedgekeurd moet worden. Gedragsbegrenzingen blijven noodzakelijk.

Ik treed meer als coach op waardoor het kind zijn eigen ‘ik’ ontwikkelt en de zelfredzaamheid wordt gestimuleerd. Ik kijk en luister goed naar individuele kinderen en ook naar de totale groep. Kinderen krijgen de ruimte om te leren omgaan met ruzietjes en conflicten.

 

1.5 Veiligheid en geborgenheid

Om de kinderen veiligheid en geborgenheid te bieden hecht ik veel waarde aan de volgende zaken:

  • Kinderen op eigen niveau positief benaderen
  • Individuele aandacht hebben voor kinderen
  • Vaste leiding waardoor er een vertrouwensrelatie kan worden opgebouwd met de kinderen
  • Het bieden van een huiselijke sfeer
  • Vaste dagindeling; door deze structuur wordt kinderen een veilig gevoel gegeven
  • Duidelijk stellen van grenzen

2. Kind

2.1 Kind en voeding

Bewust omgaan met voeding is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Bij gezondheid hoort gezonde voeding. De vaste structuur van een eet-/drinkmoment geeft rust, er is even tijd om naar elkaar te luisteren/met elkaar te kletsen (kinderen oefenen sociale vaardigheden). Als een kind iets niet lust hoeft het niet te eten. Ik houd in de gaten of een kind genoeg eten binnen krijgt. Mijn taak als pedagogisch medewerker is het in de gaten houden dat iedereen wat kan vertellen tijdens het eet/drinkmoment. Wanneer het weer het toelaat ‘picknicken’ we buiten.

 

2.2. Kind en activiteit

Kinderen leren door:

  • Actief op ontdekking gaan, zelf doen, uitproberen
  • Kijken en imiteren
  • Herhaling en rituelen
  • Meehelpen en meedoen
  • Woorden te koppelen aan ervaringen

 

Ik schep voorwaarden en biedt de kinderen gedurende de dag voortdurend de ruimte om hun talenten te ontdekken en verder te ontwikkelen. Dit gebeurt in de eerste plaats door het aanbieden van zeer uiteenlopende vrije en gestructureerde spelactiviteiten, waarbij het ontdekken centraal staat. Werken met natuurlijke materialen, bouwen, fantasiespel, drama en zintuigenspelen zijn hiervan enkele voorbeelden.

Bij het aanbieden zoek ik aansluiting bij de initiatieven van de kinderen en ik geef de ruimte om te ontdekken. Kinderen vinden het vaak geweldig om mee te helpen met de activiteiten van volwassenen. Ze ontwikkelen hiermee verschillende vaardigheden en het versterkt hun zelfvertrouwen en verantwoordelijkheidsgevoel. Deze activiteiten bieden veel gelegenheid voor interactie met de pedagogisch medewerker. Voorbeelden van deze activiteiten zijn: helpen met glazen klaarzetten, fruit pakken, de zorg voor de ruimte waar we zijn en de materialen en het naar buiten gaan. Kinderen worden gestimuleerd om hierin op een speelse manier actief mee te doen.

2.3. Kind en Natuur

Al vanaf zeer jonge leeftijd hebben kinderen een verbondenheid met de natuur. Kinderen hebben een natuurlijke behoefte om te spelen en buiten te zijn. Het bewust beleven van de natuur daagt kinderen uit tot zelfstandigheid. Naast deze uitdagende kant geeft natuur ook ontspanning en rust. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die veel in de natuur zijn zich beter kunnen concentreren, minder stress hebben, minder vaak ziek zijn en motorisch vaardiger zijn. Natuurbeleving draagt bij uitstek bij aan het ontwikkelen van de verschillende ontwikkelingsgebieden zoals in hoofdstuk 1 beschreven.

Waarom het zo goed is om een kind veel in de natuur te laten zijn:

  • Het kind wordt uitgedaagd tot lichamelijke activiteit zoals op en in bomen klimmen en doet krachtmetingen. Hierdoor ontwikkelen zich niet alleen de grove en fijne motoriek maar ook de wiskundige en natuurkundige inzichten.
  • Door eigen onderzoek en educatie ontstaan meer kennis en begrip over diverse natuurverschijnselen en levensvragen.
  • Diverse vormen van creativiteit worden gestimuleerd bij de bewustwording van de vele levensvormen, kleuren en natuurveranderingen.
  • Spelletjes in de natuur dagen uit om de natuur te gebruiken net zoals het eten van planten en bessen en natuurweetjes.
  • Het kind hoeft in de natuur niet te presteren, het mag zichzelf zijn en kan zichzelf ontdekken. Dit gebeurt op grond van de eigen begaafdheid, interesses en emotionele behoeften.
  • Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat volwassenen veel innerlijke kracht en steun aan vroegere, basale natuurervaringen ontlenen. Een leefomgeving met bomen, struiken en bloemen is gezonder, uitdagender en levendiger.                                                                                                                                                Ik ben van mening dat natuurbeleving onmisbaar is voor een evenwichtige ontwikkeling van kinderen!

3. Groepsgrootte/BSO-ruimte

Op BSO De Bosbes mogen 6 kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar opgevangen worden.

De opvang vindt plaats in de woonkamer en in de speelkamer ’t Strandhuuske. In de schuur is ruimte voor de jassen/tassen en schoenen. De keuken gebruiken we voor handen wassen en aan de keukentafel eten en drinken we.

In de verblijfsruimte is een woonklimaat (19/20 graden). In de ruimte wordt uiteraard niet gerookt. In de woning zijn de ventilatieroosters open.

4. Ophalen van kinderen

Kinderen worden niet zonder toestemming van de verzorger meegegeven aan iemand anders. Wanneer er toch iemand anders is om het kind op te halen leg ik contact met de verzorger/ouder.

Krijg ik te maken met gescheiden ouders dan ga ik ervan uit dat het kind door vader, moeder/voogd gehaald kan worden tenzij een gerechtelijke uitspraak anders bepaalt.

Wanneer kinderen zelf naar huis mogen lopen/fietsen dan leggen we dit vast in een zelfstandigheidscontract.

Bij het haalmoment vindt de overdracht plaats. De bijzonderheden van de dag worden doorgenomen, zowel de bijzonderheden van school als de BSO.

5. Wenbeleid

Ik vind het belangrijk dat kinderen zich bij mij prettig en veilig voelen. Een emotionele band met een volwassene is nodig voor een kind om zich echt veilig te voelen. Van belang is dat ik invoelend reageer, ontvankelijk ben voor signalen van het kind, dat ik het kind emotioneel ondersteun en de ruimte geef. Op deze manier ontwikkelt het kind basisvertrouwen, ontstaat er een emotionele band en het besef dat er altijd iemand is op wie het kind kan terugvallen. Dit is een voorwaarde voor optimale ontwikkeling.

Het doel van het wennen is het kind de gelegenheid bieden vertrouwd te raken met de nieuwe situatie en een veilige plek op de groep te leren vinden zodat hij zich prettig voelt. Vanuit deze situatie kan hij zich gaan ontwikkelen. Het ene kind kan meer moeite hebben met veranderingen, vreemde situaties of een nieuwe omgeving. De wenperiode vind ik dan ook afhankelijk van het kind.

Hoe kan de wenperiode er uitzien?

Het kind kan meekomen met de intake en zo de ruimte zien waar hij naschools zal zijn. De eerste keer wennen is een uur. Het kind wordt door de ouder gebracht (deze is stand-by voor het geval het niet gaat). De tweede keer draait het kind de gehele middag mee. Wennen is niet verplicht, maar wel gewenst. Het wennen start voor de eerste echte opvang dag, bij voorkeur op de dagdelen dat het kind officieel komt.

6. Werkwijze en activiteiten BSO De Bosbes

Van elk kind houd ik een rapportage bij. Hierin beschrijf ik de bijzonderheden die op de BSO gebeuren. Dit kan zijn van een pleister plakken tot onenigheid tussen twee kinderen of belangrijke zaken in het groepsproces. Wanneer ik bijzonderheden signaleer in de ontwikkeling van het kind verwijs ik door naar passende instanties.

Elke middag als ouders hun kinderen komen halen is er de overdracht waarin ik vertel over de middag. Wanneer nodig plan ik samen met de ouders een gesprek. Als een kind al in behandeling is hoor ik via de ouders wat goed is voor het kind qua omgang of ik heb samen met ouders een gesprek met de therapeut. Voor het kind is het belangrijk dat we allemaal op één lijn zitten en zo het welbevinden van het kind vooropstellen.

Elk kind heeft een mentor op de BSO. Ik ben de mentor van alle kinderen op de BSO.

± 14.15/14.30              We komen uit school, kinderen hangen jas op, schoenen uit, tas in de kist, en kunnen even spelen totdat we aan tafel gaan om te                                              drinken, fruit/koekje eten.

± 15.00                        We wassen onze handen en gaan aan tafel voor fruit en een koekje. Aan tafel is er tijd om te vertellen over de schooldag. Mariël                                                vertelt de activiteit voor die dag.

± 15.30/15.45              We beginnen met de activiteit. In de lente/zomer/herfst zijn we vooral buiten in het bos, speeltuintje of op de volkstuin. Alle kinderen                                       hebben hier hun eigen vierkante meter bak en verbouwen hierin wat ze zelf willen. In de winter bij regen/onweer/kou maken we het                                       binnen gezellig. Ik werk met activiteiten die passen bij het jaargetijde/jaarlijkse feesten (kerst/oud en nieuw, valentijnsdag, pasen,                                            avondvierdaagse, st. maarten, sinterklaas)

17.00                           Tijd voor een toastje, even een rustmoment. Soms komen we uit het bos/volkstuin/speeltuin dan zitten we naast het huis aan tafel,                                          daarna wordt er verder gespeeld buiten totdat de kinderen worden gehaald.  In de winter gaan we met zijn allen aan de eettafel zitten.                                      De eerste kinderen gaan naar huis of worden gehaald. Met de kinderen die over zijn doen we nog een spelletje of er wordt gelezen.

18.00                           Alle kinderen zijn gehaald.

 

7. Zieke kinderen

Bij ziekte kunnen kinderen niet naar de BSO komen. Het kind heeft extra zorg en aandacht nodig die niet gegeven kan worden. Een kind is ziek als het 38 graden koorts of hoger heeft, diarree of een besmettelijke ziekte. Als een kind ziek wordt tijdens BSO-tijd dan wordt de verzorger/ouder gebeld om het kind op te halen. Kan het kind wel op de BSO blijven dan wordt de verzorger/ouder op de hoogte gesteld en ligt de verantwoording bij hem/haar.

Wanneer een kind medicijnen nodig heeft dan kan de verzorger/ouder dit met een formulier ‘overeenkomst gebruik geneesmiddelen’ doen.

8. Normen en waarden

 

Op de BSO zijn we constant bezig met opvoeden, het overbrengen van normen en waarden. Het kind leert wat geaccepteerd gedrag is binnen de sociale groep en de samenleving waarin het opgroeit. Dit gebeurt bewust en onbewust.

Doordat een kind wordt gecorrigeerd weet het op een gegeven moment wat er van hem verwacht wordt. De ene keer wordt zijn gedrag positief beloond, de andere keer wordt het gedrag afgekeurd. Wat voor mij belangrijk is dat ik het kind niet afkeur maar het gedrag wat hij laat zien. Ik ben me bewust van mijn voorbeeldfunctie. Door zelf te laten zien hoe ik graag wil dat de kinderen zich gedragen volgen de kinderen mijn voorbeeld. Door met kinderen te praten over wat mag/niet mag en waarom dit zo is, hierdoor betrek ik ze erbij en worden het ook meer hun eigen normen en waarden.

Mijn uitgangspunt is dat een kind vooral positief bekrachtigd mag worden. Voor het zelfbeeld is dit positief. Wanneer een kind alleen maar negatief terecht wordt gewezen dan zal het een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Het zelfbeeld vormen is voor een kind van wezenlijk belang. Graag zien we onze kinderen als evenwichtige mensen in de samenleving functioneren.

9. Samenwerking met ouders

Goed contact met ouders vind ik vanzelfsprekend. Door in openheid te communiceren kan ik continuïteit in begeleiding geven. Samen met de ouders heb ik een gemeenschappelijk belang: het zorgen voor optimale omstandigheden voor de ontwikkeling van een kind.

De contacten krijgen vorm tijdens het intakegesprek en bij het dagelijkse breng- en haalmoment. Verder bied ik de mogelijkheid tot een 3-maanden evaluatie en 1x p/jaar een 10-min. gesprek.

In de intake noem ik dat ik de mentor word van het kind. Ook bespreek ik hierin hoe ik werk en wat ik belangrijk vind.

10. Oudercommissie

Doordat ik een kleine BSO heb ben ik niet verplicht een oudercommissie te hebben. Wel is er nog één ouder waarmee ik de belangrijke wijzigingen doorspreek en waaraan ik feedback vraag wanneer nodig.

Belangrijke veranderingen/aanpassingen doe persoonlijk of via de mail. De meer lopende zaken doe ik via de app waarin in ouders per dag zijn ingedeeld (maandaggroep, dinsdaggroep, donderdaggroep).

11. Extra opvang

Wanneer er extra dagdelen worden afgenomen worden deze als losse uren in rekening gebracht. Dit is een hoger tarief dan het reguliere tarief.

Ten alle tijden kunnen er extra dagdelen worden afgenomen zolang de groepsgrootte dit toe laat.

De opvang die ik door-de-week biedt staat los van de vakantie-opvang. Als ouder kun je aangeven wanneer je in de vakantie opvang nodig hebt. Dit gaat per dagdeel (8.00 – 13.00 en 13.00 – 18.00).

Margedagen worden extra in rekening gebracht.